Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w74 15/10 blz. 635-638
  • Veel vreugde als gevolg van volharding in goed werk

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Veel vreugde als gevolg van volharding in goed werk
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VROEGE LICHTSTRALEN
  • OMGANG EN GETUIGENIS GEVEN
  • BETHELVOORRECHTEN
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
w74 15/10 blz. 635-638

Veel vreugde als gevolg van volharding in goed werk

Zoals verteld door CHARLES J. FEKEL

IK HAD datgene gevonden wat voor mijn leven en geluk van het allergrootste belang was. En wat meer is, ik was toen nog een jongeman. Ik hoefde er geen tientallen jaren aan te besteden om door middel van vallen en opstaan te trachten deze schat te vinden, en dan achteraf alleen maar te bemerken dat ik het grootste gedeelte van mijn leven had verspild. Neen, maar ik kon mijn jeugd en energie in goede banen leiden en voor goed en waardevol werk gebruiken. Mijn waardevolle vondst was een nauwkeurig begrip van Gods voornemen, waardoor ik een duidelijk antwoord had gekregen op belangrijke vragen als: Waarom zijn wij hier op aarde? Zijn de huidige toestanden in overeenstemming met Gods wil? Kan de mens naar een gelukkige toestand uitzien?

Mijn kinderjaren in Oostenrijk-Hongarije waren niet al te veelbelovend. Moeder had mij altijd meegenomen naar de Rooms-Katholieke Kerk. Toen wij bij lutherse familieleden inwoonden, vond zij het goed dat ik naar de lutherse zondagsschool ging. Later, toen wij een eigen woning hadden gevonden, moest ik weer terug naar de Katholieke Kerk. Na vaders dood in 1905 verhuisden wij naar de Verenigde Staten, waar wij een tijdje bij lutherse familieleden inwoonden. Dit was beslist een heel verschil met het leven dat wij in Europa hadden geleid.

Toen wij weer als gezin op onszelf waren, spoorde moeder ons ertoe aan opnieuw de mis te bezoeken. Ik bleef echter op de openbare school, omdat wij niet kapitaalkrachtig genoeg waren om het onderwijs op de katholieke school te betalen. Later ging ik eens per week naar de parochie om de katholieke catechismus te leren, ter voorbereiding van het vormsel. Ik heb het vormsel echter nooit ontvangen, en wel om verscheidene redenen.

In de eerste plaats was het duidelijk dat er geen bijbels bewijs werd gegeven voor de antwoorden die ik uit de catechismus uit het hoofd moest leren. Verder kon ik ook niet inzien waar het goed voor was dat de priester mij tijdens de biecht indiscrete vragen stelde over allerlei wangedrag ten aanzien waarvan ik onschuldig was. En wat voor goeds werd er bovendien tot stand gebracht door het monotone opdreunen van het „Wees gegroet Maria” en andere gebeden? En wat nog belangrijker was, wat voor leven van voortreffelijke dienst biedt de Rooms-Katholieke Kerk nu eigenlijk voor de leken?

Uit nieuwsgierigheid luisterde ik soms wel eens naar straatpredikers. Zij verschaften echter geen bevredigende antwoorden op mijn dringende vragen en beklemtoonden slechts dat er voor zondaars een vreselijke toekomst is weggelegd in het hellevuur. De gedachte God alleen maar uit vrees te dienen, vervulde mij met afkeer. Was hij geen God die zijn schepselen door zijn liefde aantrok? En verder moest het voor allen die God wilden behagen, toch beslist mogelijk zijn de een of andere dienst voor hem te verrichten!

VROEGE LICHTSTRALEN

Toen gebeurde het dat mijn broer en ik besloten in Baltimore’s Muziekacademie een gratis openbare lezing bij te wonen. Het intrigerende onderwerp was „Naar de hel en terug”. De logische, schriftuurlijke uiteenzetting die de spreker over de bijbelse hel (Hebr.: sjeool; Grieks: hades) gaf, maakte op ons beiden een diepe indruk. Ik merkte ook op dat pastor Russell — want dat was de naam van de spreker — erg vriendelijk en attent was. Eindelijk kreeg ik antwoorden op mijn vragen — antwoorden die mij bevredigden, aangezien ze door duidelijke bijbelse verklaringen werden ondersteund.

Na verloop van tijd zag ik het schitterende „Photo-Drama der Schepping”, met zijn combinatie van lichtbeelden en geluid. Wat was het waardevol voor mij dit op de bijbel gebaseerde drama van de menselijke geschiedenis te zien en het commentaar van de spreker te horen! Het gaf me een geweldige en begrijpelijke kijk op Gods voornemen. En het doordrong me er ook van dat de meerderheid der mensen weinig aandacht schonk aan Christus en de martelpaal. De natuurkundige met zijn reageerbuisje, de financier met zijn rijkdom, de militaire bevelhebbers, geestelijken en geleerden met hun persoonlijke carrières en de rijken, die zich van het ene pleziertje naar het andere spoedden, hadden het allemaal veel te druk om zelfs maar vluchtig aandacht te schenken aan de Redder. Maar hoe stond het eigenlijk met mezelf, een student in die tijd? Werd ik, door het wereldse onderricht dat ik genoot, niet in dezelfde vorm gegoten?

Omstreeks deze tijd, zo kan ik mij herinneren, vonden wij vaak een interessant traktaat, getiteld „The Bible Students Monthly”, onder onze deur. Toen ik me hierop abonneerde en deze traktaten geregeld las, kreeg ik een dorst naar steeds meer inlichtingen. Ik spaarde wat van mijn weeksalaris op en kocht enkele van de studiehulpmiddelen die in de traktaten werden aangekondigd, waartoe in het bijzonder de delen van de Schriftstudiën behoorden. Ik was verbaasd hoe duidelijk hierin Gods voornemen werd verklaard zoals het zich over vele eeuwen en generaties uitstrekte. En wat was het een vreugde te ontdekken dat de bijbel Gods geïnspireerde boek is!

Als moeder mij op zondag adviseerde naar de kerk te gaan, zei ik: „De priester spreekt in het Latijn en ik begrijp geen Latijn, dus ik kan niets leren. U hebt mij er altijd toe aangespoord zoveel mogelijk te leren. Welnu, ik leer heel veel uit deze boeken.” Zij drong er dan verder niet meer op aan. Op zekere dag kreeg ik van een winkelbediende de uitnodiging om naar de evangelist Smith te luisteren die in Ford’s Theater predikte. In plaats dat ik werd bekeerd, was ik er zo geërgerd over dat de spreker met geen woord over de grootse hoop van Gods koninkrijk repte, dat ik onverwijld het vaste besluit nam om de hoopgevende boodschap van de bijbel op de een of andere manier te gaan verbreiden.

OMGANG EN GETUIGENIS GEVEN

Ik wist aan het adres te komen van de plaatselijke vergaderplaats van de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen genoemd werden, en begon de vergaderingen bij te wonen. Bij mijn allereerste bezoek werd ik welkom geheten door een oplettende, oudere heer, die had opgemerkt dat ik een nieuweling was. Hij ging bij mij zitten en was verbaasd te bemerken dat ik reeds veel bijbelkennis uit de lectuur had opgedaan. Daarna heeft hij mij bij elke vergadering steeds verwelkomd. Als ik na de vergaderingen naar huis wandelde, dacht ik altijd na over de dingen die ik had gehoord. Gods wil begon veel voor mij te betekenen.

Naarmate ik in kennis en overtuiging toenam, bereikte ik al gauw het punt dat ik naar mijn gevoel een beslissing moest nemen. Ik diende toch beslist met alle dankbaarheid die ik bezat op Gods onverdiende goedheid om mij een begrip van zijn voornemen te schenken, te reageren. Ik ben blij dat ik geen tijd verloren liet gaan om mijn leven aan hem op te dragen en mij aan de doop te onderwerpen.

Toen ontving ik het ene grootse voorrecht na het andere, zoals: elke zondagmorgen een aandeel te hebben aan de verspreiding van bijbelse traktaten; de aanvang met de predikingsdienst van huis tot huis en later, nadat ik van de middelbare school was afgestudeerd, mijn aanstelling in de volle-tijdpredikingsactiviteit, destijds de colporteursdienst geheten maar thans de pioniersdienst genoemd. Eindelijk had ik het waardevolle werk gevonden waarnaar ik had gezocht. Wat schonk het mij een voldoening al mijn tijd aan het prediken en onderwijzen van Gods levengevende Woord te kunnen schenken!

Mijn eerste gebiedstoewijzing was een stadsdeel dat aan mijn speciale hoede werd toevertrouwd. Ik maakte altijd een pakket klaar waarin ik mijn twaalfuurtje stopte plus nog extra lectuur, en dat ik dan in een gunstig gelegen kruidenierswinkel achterliet, na eerst de eigenaar om toestemming gevraagd te hebben. Hierdoor had ik in de ochtenduren niet zoveel te dragen. Later had ik het voorrecht in de buitenwijken te werken, waar de andere Getuigen niet konden komen.

Binnen niet al te lange tijd bewerkte ik de landgebieden, waarbij ik een centraal gelegen stad als basis gebruikte waarnaar het Wachttorengenootschap bestelde bijbelse lectuur verstuurde. Wij werkten met z’n tweeën en overnachtten in een pension. Van hieruit bewerkten wij per fiets de omgeving, terwijl wij de stad voor regenachtige dagen bewaarden. Wij bewerkten elk een andere weg en verspreidden lectuur of namen bestellingen op die we later bezorgden.

Intussen waren de Verenigde Staten in de Eerste Wereldoorlog verwikkeld geraakt. Toen ik op zekere dag in de bediening van huis tot huis werkzaam was, slaagde een dame, die belangstelling voorwendde, erin mijn naam en adres te noteren. De volgende dag bezochten twee federale agenten ons huis. Wij hadden niets te verbergen en daarom legde ik hun alles over onze bediening uit. Zij namen exemplaren van onze lectuur mee. Op zaterdagavond werden mijn broer en ik opgepakt en naar het politiebureau gebracht. Onderweg bespraken wij als aanmoediging de dagtekst en het commentaar. Toen wij dit deden, stootte de ene agent de andere aan. De tweede antwoordde rustig: „Dat zou ik ook doen als ik in hun plaats was.”

Mijn broer, een genaturaliseerde staatsburger werd spoedig vrijgelaten, maar ik werd als vreemdeling vastgehouden, terwijl mij niet eens een verhoor vergund werd. Ik werd overgeplaatst naar de stadsgevangenis van Baltimore, waar ik vernam dat belangrijke leden van het Wachttorengenootschap op onrechtvaardige wijze waren veroordeeld en in de gevangenis van Atlanta vastzaten. De beschuldiging die tegen mij werd ingebracht, was dat ik het volk opruide. Toen mij werd gevraagd of ik het als mijn plicht beschouwde datgene wat in de publikatie van het Genootschap getiteld The Finished Mystery stond, te prediken, antwoordde ik dat het mijn plicht was het goede nieuws bekend te maken waarvan het boek een uitleg gaf. Op dat moment, zo kan ik mij herinneren, schoten mij de woorden van de apostel Paulus te binnen: „Wee mij indien ik het goede nieuws niet zou bekendmaken!” — 1 Kor. 9:16.

Er werd de gevangenen geen lectuur verstrekt, maar als men bereid was de opgeschroefde prijs aan een winkelier buiten de gevangenis te betalen, kon men lectuur en andere dingen in zijn cel onder zijn kussen vinden. Jehovah had er echter op toegezien dat ik ten tijde van mijn arrestatie bijbelse lectuur bij me had, en nu had ik een zee van tijd om deze lectuur te lezen en de inlichtingen met medegevangenen te delen. Na een maand vastgezeten te hebben, werd ik voorwaardelijk vrijgelaten, een situatie die tot het volgende voorjaar na het einde van de oorlog voortduurde.

Ik ging gedurende een korte periode werelds werk verrichten ten einde in lichamelijk opzicht wat op te knappen, en hervatte vervolgens in het voorjaar van 1919 weer het volle-tijdwerk. De eerste naoorlogse grote vergadering van Jehovah’s getuigen te Cedar Point, in de Amerikaanse staat Ohio, werd aangekondigd, maar wij pioniers zagen geen kans ernaar toe te gaan. Wij zouden er echter wel met de geest aanwezig zijn. Jehovah wist echter beter. Hij wist hoe dringend wij het nodig hadden geestelijk opgebouwd te worden, opdat wij in zijn goede werk zouden kunnen volharden. Een geldelijke bijdrage door een attente mede-Getuige maakte het voor ons mogelijk die geweldige dagen van omgang rond de overvloedige tafel van de Heer mee te maken.

BETHELVOORRECHTEN

Toen wij in onze volgende toewijzing, in het stadje Vineland in de staat New Jersey, waren, vertelde een liefdevolle familie die het Bethelhuis in Brooklyn had bezocht, mij iets over het hoofdbureau van het Genootschap. Toen er dus in De Wachttoren een oproep verscheen om vrijwilligers die daar zouden willen werken, bood ik mij onmiddellijk aan. Ik was er verlangend naar al mijn tijd en energie te besteden aan het beste werk dat er bestond: de bevordering van de Koninkrijksbelangen. Mijn aanvraag werd aanvaard en 14 februari 1921 kenmerkte het begin van een nieuwe en voldoening schenkende tak van dienst.

Het is waar dat ik nu niet meer constant over de waarheid kon spreken, zoals dit het voorrecht is van een pionierbedienaar, maar wat een wonderbare voordelen genoot ik waardoor dit gemis werd opgeheven! Ik hoefde me geen zorgen te maken over mijn materiële behoeften, want voor voedsel, onderdak en medische verzorging werd gezorgd. Verder is er ook de omgang met zo vele rijpe Getuigen en de opbouwende bijbeltekstbesprekingen vóór het ontbijt. De studieperiodes, zowel in als buiten Bethel, worden een deel van iemands leven. En dan is er nog de overtuiging dat alle activiteiten op het Bethelhoofdbureau, ook al zijn ze oppervlakkig gezien nog zo alledaags, er op de een of andere manier toe bijdragen dat onze mede-Getuigen over de gehele wereld worden geholpen, want zij kunnen niet buiten de bijbelse lectuur die Jehovah zo edelmoedig door middel van zijn zichtbare organisatie verschaft.

Ik heb verschillende werkzaamheden verricht die verband houden met het binden van boeken. Op zekere dag bood ik na het avondeten aan met wat extra werk in de zetterij-afdeling te helpen. Kort daarna werd ik naar deze afdeling overgeplaatst, en ik kan me herinneren dat ik als een van mijn eerste taken correcties moest aanbrengen in de index van de herdrukken van De Wachttoren (Engelse uitgave). Vervolgens was het mijn taak het zetsel voor het boek De harp Gods (Engelse uitgave) in ramen op te sluiten, opdat van deze drukvormen de grote matrijzen gemaakt konden worden die worden gebruikt om er de drukplaten voor de rotatiepers van te gieten. In 1921 waren er op de zetterij-afdeling gemiddeld zes werkers en twee regelzetmachines. Vijftig jaar later waren er 76 werkers en 33 regelzetmachines. Er is dus een wonderbaarlijke uitbreiding geweest, een uitbreiding die nodig is geworden als gevolg van de ijverige activiteit van talloos vele Getuigen over de gehele wereld.

Ik heb mij gedurende de afgelopen drieënvijftig jaar in vele voorrechten verheugd. Afgezien van het feit dat al het nieuwe materiaal via deze afdeling is gereedgemaakt voor de grote rotatiepersen, zijn er nog andere zegeningen geweest. Getuige te mogen zijn van de vreugde van Gods volk wanneer er op congressen nieuwe publikaties verkrijgbaar werden gesteld, is een royale beloning geweest voor al het extra werk dat wij er in veel gevallen aan hadden gehad. En het congres dat in 1919 te Cedar Point werd gehouden, was slechts het eerste van een lange serie congressen die ik heb kunnen bijwonen: Cedar Point, 1922; Columbus, 1931; St. Louis, 1941 en andere in Toronto, Detroit, Cleveland, Londen, Parijs, Rome, Neurenberg en Stockholm, nog afgezien van de door enorme mensenmenigten bezochte congressen in de stad New York, die ik nooit zal vergeten.

Ik heb nog vele andere vreugden ervaren. Het is een voorrecht geweest de woelige periode van vervolging in de jaren veertig mee te maken, alsook de glansperiode van de bekendmaking van de Koninkrijksboodschap via de radio te hebben beleefd en aanwezig te zijn geweest toen er een grote stoot werd gegeven aan het goddelijke onderwijs, hetgeen ertoe leidde dat de Gileadschool voor de opleiding van zendelingen en de Koninkrijksbedieningsschool voor de vooruitgang van de gemeenteorganisatie werden opgericht.

Nu ik op zesenzeventigjarige leeftijd terugkijk op de afgelopen jaren waarin ik de Koninkrijksbelangen heb gediend, verbaas ik me over wat Jehovah’s geest tot stand heeft gebracht. Mogen wij allen blijven delen in zijn onverdiende goedheid en in de vrede die hij aan degenen schenkt die er vastberaden blijk van geven zijn goede werk tot Zijn lof te volbrengen. De volgende belofte is bijzonder dierbaar voor mij geweest: „Schep . . . heerlijke verrukking in Jehovah, en hij zal u de beden van uw hart geven.” — Ps. 37:4.

    Nederlandse publicaties (1950-2025)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2025 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen