Het Europese Hof erkent het recht om te prediken in Griekenland
WAAROM zou een man die door zijn buren wordt geprezen, sinds 1938 meer dan zestig keer gearresteerd zijn? Waarom zou deze eerlijke winkelier van het Griekse eiland Kreta achttien maal voor het Griekse gerecht gedaagd zijn en meer dan zes jaar in de gevangenis hebben doorgebracht? Ja, waarom zou deze hardwerkende huisvader, Minos Kokkinakis, bij zijn vrouw en zijn vijf kinderen zijn weggehaald en naar verschillende strafeilanden zijn verbannen?
De in 1938 en 1939 aangenomen wetten die proselitisme verbieden, zijn daar grotendeels voor verantwoordelijk. Deze wetten werden ingesteld door de Griekse dictator Ioannis Metaxas, die onder invloed van de Grieks-Orthodoxe Kerk handelde.
Als gevolg van deze wetgeving vonden er tussen 1938 en 1992 19.147 arrestaties van Jehovah’s Getuigen plaats, en de rechters legden straffen op die in totaal 753 jaar bedroegen, waarvan 593 jaar werkelijk werden uitgezeten. Dit alles gebeurde omdat de Getuigen in Griekenland, net als elders, de instructies opvolgen van Jezus Christus om ’discipelen te maken van mensen uit alle natiën en hun alles te leren onderhouden’ wat hij heeft geboden. — Mattheüs 28:19, 20.
Maar op 25 mei 1993 werd er een grootse overwinning voor vrijheid van aanbidding behaald! Op die dag erkende het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (Frankrijk) het recht van een Grieks burger om anderen zijn geloofsovertuigingen te onderwijzen. Door aldus te beslissen heeft dit Europese Hof ruime beschermingsmogelijkheden voor godsdienstvrijheid geschapen, die een diepe uitwerking op het leven van mensen overal ter wereld kunnen hebben.
Laten wij de ontwikkelingen die tot deze gedenkwaardige uitspraak van het Hof hebben geleid, met inbegrip van de vernederingen die door slechts één Griekse burger zijn ondergaan, eens nader bekijken.
Vroege achtergrond
In 1938 was deze burger, Minos Kokkinakis, de eerste getuige van Jehovah die werd veroordeeld onder de Griekse wet waarin proselitisme als misdrijf wordt aangemerkt. Zonder het voordeel van een proces werd hij voor dertien maanden naar het Egeïsche eiland Amorgos verbannen. In 1939 werd hij twee keer veroordeeld en telkens twee en een halve maand gevangen gehouden.
In 1940 werd Kokkinakis voor zes maanden naar het eiland Mélos verbannen. Het jaar daarop, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd hij meer dan achttien maanden in de militaire gevangenis in Athene opgesloten. Over die periode vertelt hij:
„Het gebrek aan voedsel in de gevangenis werd steeds nijpender. Wij werden zo zwak dat wij niet meer konden lopen. Als de Getuigen uit de omgeving van Athene en Piraeus ons geen voedsel hadden gegeven uit hun bijna uitgeputte middelen, zouden wij gestorven zijn.” Later, in 1947, werd hij opnieuw veroordeeld en bracht hij nog eens vier en een halve maand in de gevangenis door.
In 1949 werd Minos Kokkinakis verbannen naar het eiland Makrónisos, een naam die bij Grieken schrikbeelden oproept vanwege de gevangenis daar. Onder de ongeveer 14.000 personen die toentertijd op Makrónisos gevangenzaten, bevonden zich zo’n veertig Getuigen. De Griekse encyclopedie Papyros Larousse Britannica merkt op: „De methoden van wrede marteling, . . . de leefomstandigheden, die onaanvaardbaar zijn voor een beschaafde natie, en het vernederende gedrag van de bewakers tegenover de gevangenen . . . vormen een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Griekenland.”
Kokkinakis, die een jaar in de gevangenis op Makrónisos doorbracht, beschrijft de omstandigheden: „De soldaten ondervroegen, net als leden van de inquisitie, iedere gevangene van ’s ochtends tot ’s avonds. Woorden schieten te kort om de martelingen die zij toedienden te beschrijven. Veel gevangenen verloren hun verstand; anderen werden gedood; een groot aantal raakte invalide. In die vreselijke nachten, terwijl wij het geschreeuw en gekreun hoorden van degenen die gemarteld werden, baden wij gezamenlijk.”
Na de ontberingen op Makrónisos overleefd te hebben, werd Kokkinakis in de jaren vijftig nog zes keer gearresteerd en bracht hij tien maanden in de gevangenis door. In de jaren zestig werd hij nog eens vier keer gearresteerd en tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld. Maar bedenk eens dat Minos Kokkinakis slechts een van de honderden getuigen van Jehovah was die in de loop der jaren werden gearresteerd en gevangengezet omdat zij met anderen over hun geloof spraken!
Hoe kwam het dat het verschrikkelijke onrecht dat Jehovah’s Getuigen in Griekenland werd aangedaan uiteindelijk onder de aandacht van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens werd gebracht?
Het proefproces
De zaak gaat terug naar 2 maart 1986. Op die dag belden Minos Kokkinakis, toen een gepensioneerde zakenman van 77 jaar, en zijn vrouw bij het huis aan van mevrouw Georgia Kyriakaki in Sitia (Kreta). Haar man, die de voorzanger was in een plaatselijke orthodoxe kerk, lichtte de politie in. De politie kwam en arresteerde mijnheer en mevrouw Kokkinakis, die vervolgens naar het plaatselijke politiebureau werden gebracht. Zij werden gedwongen daar de nacht door te brengen.
Hoe luidde de aanklacht tegen hen? Het was dezelfde aanklacht die in de voorgaande vijftig jaar duizenden keren tegen Jehovah’s Getuigen was ingediend, namelijk dat zij zich aan proselietenmakerij hadden schuldig gemaakt. Artikel 13 van de Griekse grondwet (1975) luidt: „Proselitisme is verboden.” Beschouw eens verder de Griekse wet, titel 4, nummer 1363/1938 en 1672/1939, waarin proselitisme als een misdrijf wordt aangemerkt. Daar staat:
„Met ’proselitisme’ wordt in het bijzonder bedoeld elke directe of indirecte poging om ongevraagd invloed uit te oefenen op de religieuze overtuigingen van iemand van een andere religieuze groepering . . ., met het oogmerk die overtuigingen te ondermijnen, ofwel door toezeggingen of beloften te doen, door morele ondersteuning of materiële bijstand, ofwel met behulp van bedrieglijke middelen of door misbruik te maken van zijn onervarenheid, vertrouwen, behoeften, lage intellectuele niveau, of naïviteit.”
De zaak kwam op 20 maart 1986 voor de strafrechter in Lasithi (Kreta) en de rechtbank oordeelde dat mijnheer en mevrouw Kokkinakis zich aan proselitisme hadden schuldig gemaakt. Beiden werden tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld. De rechtbank verklaarde in haar veroordeling van het echtpaar dat de verdachten ongevraagd hadden getracht invloed uit te oefenen „op de religieuze overtuigingen van orthodoxe christenen . . . door misbruik te maken van hun onervarenheid, hun lage intellectuele niveau en hun naïviteit”. De verdachten werden er verder van beschuldigd „[mevrouw Kyriakaki] door middel van hun scherpzinnige, vaardige uitleg . . . aangemoedigd te hebben haar orthodox-christelijke overtuigingen te veranderen”.
Er werd tegen de uitspraak beroep aangetekend bij het hof van appèl van Kreta. Op 17 maart 1987 sprak dit Kretenzische hof mevrouw Kokkinakis vrij, maar handhaafde de veroordeling van haar man, hoewel het zijn gevangenisstraf tot drie maanden verminderde. In het vonnis werd gesteld dat mijnheer Kokkinakis „misbruik had gemaakt van de onervarenheid, het lage intellectuele niveau en de naïviteit van [mevrouw Kyriakaki]”. Er werd gezegd dat hij „gedeelten uit de Heilige Schrift ging voorlezen, die hij dusdanig bekwaam analyseerde dat de christelijke vrouw door gebrek aan voldoende basiskennis van de leer geen weerwoord kon verschaffen”.
Een van de rechters in hoger beroep die een afwijkende mening toegedaan was, schreef dat mijnheer Kokkinakis „eveneens vrijgesproken dient te worden, aangezien er geen enkel bewijs is geleverd dat Georgia Kyriakaki . . . in bijzondere mate onervaren was in de orthodox-christelijke leer, vooral omdat zij met een voorzanger getrouwd was, of dat zij een bijzonder laag intellectueel niveau had of in bijzondere mate naïef was, zodat de verdachte er misbruik van kon maken en . . . haar er [aldus] toe kon overhalen een lid van de sekte van Jehovah’s Getuigen te worden”.
Mijnheer Kokkinakis tekende tegen dit vonnis beroep aan bij het Griekse hof van cassatie, het hooggerechtshof van Griekenland. Maar dat hof verwierp op 22 april 1988 het beroep in cassatie. Daarom diende mijnheer Kokkinakis op 22 augustus 1988 een klacht in bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. Zijn verzoekschrift werd uiteindelijk op 21 februari 1992 ontvankelijk verklaard en aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voorgelegd.
Hoofdpunten van de zaak
Aangezien Griekenland een lidstaat is van de Raad van Europa, is het verplicht zich naar de artikelen van de Europese Conventie van de Rechten van de Mens te voegen. Artikel 9 van de Conventie luidt: „Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.”
Zo kwam het dat de Griekse regering in een Europese rechtszaak de aangeklaagde staat werd. Ze werd beschuldigd van openbare schending van het fundamentele recht van een Grieks burger om zijn godsdienst te beoefenen in overeenstemming met het gebod van Jezus Christus, namelijk, ’om te onderwijzen en discipelen te maken’ (Mattheüs 28:19, 20). Verder zei de apostel Petrus: „[Jezus heeft] ons bevolen tot het volk te prediken en een grondig getuigenis te geven.” — Handelingen 10:42.
Een speciale in 1992 verschenen uitgave van European Magazine on Human Rights droeg de omslagtitel: „Griekenland — Opzettelijke schendingen van mensenrechten”. Het tijdschrift verklaarde op bladzijde 2: „Griekenland is het enige land in de EG [Europese Gemeenschappen] en in Europa met strafwetten die het mogelijk maken dat iedereen die een ander ertoe beweegt van religie te veranderen, boeten en gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd.”
De verwachtingen binnen en buiten juridische kringen waren inmiddels dus hooggespannen. Wat zou er beslist worden met betrekking tot de Griekse wet die het iemand verbiedt zijn geloofsovertuigingen aan anderen te onderwijzen?
Behandeling van de zaak in Straatsburg
Eindelijk brak de dag van de terechtzitting aan — 25 november 1992. Er hingen donkere wolken boven Straatsburg en het was ijzig koud, maar in de rechtszaal hielden de advocaten vol vuur hun pleidooien. Twee uur lang werd er bewijsmateriaal overgelegd. Professor Phedon Vegleris, een van de raadsheren van Kokkinakis, sloeg de spijker op de kop door te vragen: ’Zou deze beperkende wet, bedoeld om lidmaten van de Grieks-Orthodoxe Kerk ertegen te beschermen dat zij tot andere religieuze overtuigingen bekeerd worden, moeten blijven bestaan en toegepast worden?’
Zichtbaar verwonderd over de kwestie vroeg professor Vegleris: „Ik vraag me af waarom deze wet [inzake proselitisme] orthodoxie gelijkstelt met domheid en onwetendheid. Ik heb me altijd al afgevraagd waarom orthodoxie tegen domheid, geestelijke onbekwaamheid . . . beschermd moet worden. Dit is iets wat mij verontrust en schokt.” Het is veelzeggend dat de vertegenwoordiger van de regering niet één geval kon noemen waarbij deze wet op iemand anders dan Jehovah’s Getuigen was toegepast.
De tweede advocaat van Kokkinakis, mr. Panagiotis Bitsaxis, toonde aan hoe onredelijk de wet inzake proselitisme is. Hij zei: „Het aanvaarden van wederzijdse beïnvloeding is een eerste vereiste voor een dialoog tussen volwassenen. Anders zouden wij tot een eigenaardige gemeenschap van zwijgende beesten behoren, die wel denken maar zich niet uiten, die wel praten maar niet communiceren, die wel bestaan, maar niet samenleven.”
Mr. Bitsaxis betoogde ook dat „mijnheer Kokkinakis niet veroordeeld was ’voor iets wat hij deed’, maar [voor] ’iets wat hij is’”. Daarom, zo toonde mr. Bitsaxis aan, waren de beginselen van godsdienstvrijheid niet alleen geschonden maar totaal verbrijzeld.
De vertegenwoordigers van de Griekse regering probeerden een verkeerde voorstelling van zaken te geven door te stellen dat Griekenland „een paradijs voor mensenrechten” is.
De uitspraak
De langverwachte dag van de uitspraak brak aan — 25 mei 1993. Met zes tegen drie stemmen besliste het Hof dat de Griekse regering inbreuk had gemaakt op de godsdienstvrijheid van de 84-jarige Minos Kokkinakis. Behalve dat zijn leven van openbare dienst werd gerechtvaardigd, werd hem een schadevergoeding van $14.400 toegekend. Het Hof verwierp aldus het argument van de Griekse regering dat Kokkinakis en Jehovah’s Getuigen zich van pressietactieken bedienen wanneer zij hun geloofsovertuigingen met anderen bespreken.
Hoewel de Griekse grondwet en een verouderde Griekse wet proselitisme verbieden, heeft het Europese Hof beslist dat het gebruik van deze wet om Jehovah’s Getuigen te vervolgen verkeerd is. Het is niet in overeenstemming met artikel 9 van de Europese Conventie van de Rechten van de Mens.
Het vonnis verklaarde: „Religie maakt deel uit van de ’voortdurend hernieuwbare stroom van menselijke gedachten’ en het is ondenkbaar dat het van openbaar debat kan worden uitgesloten.”
Een van de negen rechters, die vóór de bovenstaande uitspraak had gestemd, zei in zijn motivering: „Proselitisme, gedefinieerd als ’ijver in het verbreiden van het geloof’ kan als zodanig niet strafbaar gesteld worden; het is een manier — op zich volmaakt legitiem — waarop iemand ’zijn godsdienst belijdt’.
In dit geval werd de eiser [mijnheer Kokkinakis] alleen veroordeeld omdat hij een dergelijke ijver bezat, zonder dat er sprake was van enige onfatsoenlijkheid van zijn zijde.”
Gevolgen van de uitspraak
De duidelijke instructie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is dat de functionarissen van de Griekse regering ermee moeten ophouden misbruik te maken van de wet die proselitisme verbiedt. Hopelijk zal Griekenland zich neerleggen bij de instructie van het Hof en een eind maken aan de vervolging van Jehovah’s Getuigen.
Het is Jehovah’s Getuigen er niet om te doen sociale veranderingen in te voeren of het rechtssysteem te veranderen. Het gaat hun er in de eerste plaats om het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken, in gehoorzaamheid aan het gebod van Jezus Christus. Maar om dit te kunnen doen, willen zij graag ’het goede nieuws verdedigen en wettelijk bevestigen’, zoals de apostel Paulus dat in de eerste eeuw deed. — Filippenzen 1:7.
Jehovah’s Getuigen zijn in alle landen waar zij wonen, burgers die de wet respecteren. Maar bovenal voelen zij zich gedrongen om de goddelijke wet, zoals die in de Heilige Schrift staat opgetekend, te gehoorzamen. Daarom zijn zij, wanneer de wet van een land hun verbiedt met anderen over hun op de bijbel gebaseerde geloofsovertuigingen te spreken, gedwongen het apostolische standpunt in te nemen: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” — Handelingen 5:29.
[Kader op blz. 28, 29]
NOG MEER VERVOLGING OP INSTIGATIE VAN DE GEESTELIJKEN
Al tientallen jaren doen de geestelijken in Griekenland pogingen om ’moeite te beramen op gezag der wet’ (Psalm 94:20). Onlangs werd er nog een geval dat zich op het eiland Kreta voordeed, opgelost. Reeds in 1987 hadden een plaatselijke bisschop en dertien priesters negen Getuigen van proselitisme beschuldigd. Uiteindelijk kwam de zaak op 24 januari 1992 voor.
De rechtszaal was stampvol. Ongeveer 35 priesters waren aanwezig om de telastleggingen van de officier van justitie te ondersteunen. Maar de meeste zitplaatsen waren al bezet door Getuigen die gekomen waren om hun christelijke broeders aan te moedigen. Zelfs voordat de gebruikelijke procedure een aanvang had genomen, had de advocaat van de verdachten de rechtbank op ernstige juridische fouten van de officier gewezen.
Het resultaat was dat degenen die bij het proces betrokken waren zich in een besloten vergadering terugtrokken. Na twee en een half uur beraadslaging maakte de president van de rechtbank bekend dat de advocaat van de verdachten gelijk had. Daarom werden de beschuldigingen tegen de negen Getuigen nietig verklaard! Hij besliste dat het onderzoek weer van voren af aan moest beginnen om vast te stellen of de verdachten zich aan proselitisme hadden schuldig gemaakt.
Zodra de mededeling was gedaan, brak in de rechtszaal een hels kabaal los. De priesters begonnen dreigementen en beledigingen te schreeuwen. Eén priester viel de advocaat van Jehovah’s Getuigen met een kruis aan en probeerde hem te dwingen het te aanbidden. De politie moest tussenbeide komen, en de Getuigen konden eindelijk rustig weggaan.
Nadat het proces was afgelast, bereidde de openbare aanklager een nieuwe telastlegging tegen de negen Getuigen voor. De datum voor de terechtzitting werd op 30 april 1993 vastgesteld, slechts drie weken voordat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak zou doen in de zaak Kokkinakis. Weer waren er vele priesters aanwezig.
De advocaten van de negen verdachten tekenden bezwaar aan tegen het feit dat de beschuldigers van de Getuigen niet in de rechtszaal waren. De openbare aanklager had in de haast om een nieuwe telastlegging voor te bereiden, de ernstige fout begaan de beschuldigers geen dagvaarding te sturen. De advocaten van de Getuigen verzochten de rechtbank dus wegens deze ernstige fout het proces af te gelasten.
Daarop verlieten de rechters de rechtszaal en beraadslaagden bijna een uur. Nadat zij teruggekomen waren, sprak de president van de rechtbank met gebogen hoofd de negen Getuigen allemaal vrij van de telastleggingen.
De Getuigen in Griekenland zijn dankbaar voor de uitslag van deze zaak, alsook voor de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Kokkinakis op 25 mei van dit jaar. Zij bidden dat zij als gevolg van deze juridische overwinningen hun christelijke leven ’kalm, rustig, en met volledige godvruchtige toewijding en ernst’ kunnen voortzetten. — 1 Timotheüs 2:1, 2.
[Illustratie op blz. 31]
Minos Kokkinakis met zijn vrouw