Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w82 1/7 blz. 28-31
  • Bloedschennige huwelijken — Wat is de christelijke zienswijze?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bloedschennige huwelijken — Wat is de christelijke zienswijze?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Belangrijke factoren voor christenen
  • Relaties zonder directe familieverwantschap
  • Een evenwichtige zienswijze behouden
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Het huwelijk in ere houden voor het oog van God en de mensen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Bloedschande — het verborgen misdrijf
    Ontwaakt! 1981
  • Bloedschande
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
w82 1/7 blz. 28-31

Bloedschennige huwelijken — Wat is de christelijke zienswijze?

ENKELE jaren geleden besliste een gerechtshof in een Scandinavisch land dat er geen stappen ondernomen dienden te worden tegen een man die met zijn zuster in een huwelijksverhouding leefde. Een parlementslid van dat land zei dat hij zou pleiten voor een verandering in de wetten van het land betreffende bloedschande, zodat een dergelijke verhouding niet langer illegaal zou zijn. In veel landen zouden soortgelijke gevallen aangehaald kunnen worden.

Wat is een bloedschennig huwelijk? Wat voor informatie verschaft de bijbel, waardoor christenen geholpen kunnen worden hun standpunt in deze aangelegenheid te bepalen?

„Bloedschande”, of „incest”, duidt op seksuele betrekkingen tussen twee naaste bloedverwanten. Het is afgeleid van het Latijnse woord incestus. In het Latijn betekent incestus echter eenvoudig „ontucht”. Het heeft dus een ruimere betekenis dan het woord incest dat ervan is afgeleid. Bloedschande is natuurlijk altijd ontucht, maar niet alle ontucht is bloedschande. In de Latijnse Vulgaat verschijnt het woord incestus in Leviticus 18:17, waar seksuele relaties tussen bepaalde bloedverwanten worden beschreven, en na verloop van tijd bestond alleen nog maar deze beperktere betekenis.a

Voor degenen die Gods Woord respecteren, gaat het er echter niet om welke Latijnse of Nederlandse term wordt gebruikt, maar wat de Schrift over de verhouding zelf zegt. Onder andere verbood het Wetsverbond waaronder de natie Israël stond, inderdaad bepaalde huwelijksverhoudingen tussen bloedverwanten (Lev. 18:7-18; 20:14, 19-21; Deut. 27:23). Een uiterst belangrijke factor voor christenen is het verlangen om het huwelijk eerbaar te houden en te vermijden dat er ongunstig over wordt gesproken, terwijl zij rekening houden met het geweten van anderen, zowel binnen als buiten de christelijke gemeente. — Hebr. 13:4; 1 Kor. 10:32, 33; 2 Kor. 4:2.

Dat het Wetsverbond bepaalde huwelijksverhoudingen tussen naaste bloedverwanten verbood, verschaft beslist een tot richtsnoer dienend beginsel. Maar het feit blijft bestaan dat christenen niet onder de Wet staan die aan het vleselijke Israël was gegeven. Daarom mag de christelijke gemeente niet proberen die Wet aan anderen op te dringen door erop te staan dat men haar naleeft door letterlijk iedere verboden huwelijksverhouding die erin wordt genoemd, te vermijden. — Hand. 15:10, 11; Rom. 6:14; Gal. 2:21.

Het is wellicht goed om op te merken dat bepaalde aspecten van de verbodsbepalingen bedoeld schenen te zijn om de volgorde met betrekking tot de erfrechten van de Israëlieten in stand te houden. Werkelijke bloedverwantschap of nauwe familiebetrekkingen omdat men door huwelijk verwant was geraakt, schijnen niet als enige factoren bepaald te hebben of de verhouding in moreel opzicht wel of niet gepast was. Zo kon een neef niet met zijn tante trouwen, maar er was niets op tegen wanneer een oom met zijn nicht trouwde (Lev. 18:12-14). Klaarblijkelijk was de mate van bloedverwantschap (of, wanneer er aangetrouwde ooms en tantes bij betrokken waren, de mate van familieverwantschap) in beide gevallen even groot. Toch was het ene toegestaan en het andere niet.

Een man kon niet met de vrouw van zijn overleden broer trouwen, hetgeen tegenwoordig in veel landen niet als bloedschennig wordt beschouwd. Merk echter op dat wanneer het, onder het Wetsverbond, voorkwam dat een man stierf zonder een erfgenaam verwekt te hebben, er door de Wet een beroep op zijn broer werd gedaan om de weduwe tot vrouw te nemen ten einde in naam van zijn broer een erfgenaam te verwekken. Dit toont aan dat een dergelijke verhouding niet als wezenlijk of inherent slecht of immoreel werd beschouwd. — Lev. 18:16; Deut. 25:5, 6.

Een huwelijk met een volle neef of nicht, met wie de bloedverwantschap tamelijk nauw is, werd niet verboden. Een huwelijk met een halfzuster wel, maar er stond weer geen verbod op wanneer een zoon met de stiefdochter van zijn vader trouwde, dat wil zeggen, die niet het nageslacht van de ouders van de zoon was. — Lev. 18:11.b

Belangrijke factoren voor christenen

Dat christenen niet langer onder het Wetsverbond staan, betekent beslist niet dat elk huwelijk tussen vleselijke verwanten, ongeacht hoe nauw die verwantschap is, voor christenen aanvaardbaar is. Het is opmerkelijk dat de Encyclopædia Britannica (Micropædia, Deel V, blz. 323) bij het behandelen van het onderwerp bloedschande melding maakt van huwelijken tussen ouders en kinderen en tussen broers en zussen, en uiteenzet dat „bloedschande algemeen wordt veroordeeld en gewoonlijk afschuw inboezemt”. In een ander artikel (Macropædia, Deel 10, blz. 479) zegt dit werk: „Een taboe dat het dichtst een universele regel nadert die men in alle bekende menselijke culturen tegenkomt, is dat van bloedschande — het verbieden van geslachtsgemeenschap van een man met zijn moeder, zuster, dochter, of een andere nader genoemde bloedverwant.” Er wordt (op blz. 480) gesproken over het „fundamentele drietal”, moeder, zuster en dochter, dat men in dergelijke verbodsbepalingen aangaande bloedschande vindt.

Wanneer wij ons tot de geïnspireerde Griekse Geschriften wenden, schijnt het voor de hand te liggen dat, toen de apostel Paulus aan Timótheüs schreef dat hij met „oudere vrouwen als moeders, [en met] jongere vrouwen als zusters met alle eerbaarheid” moest omgaan, zijn gebod kracht ontleende aan het feit dat seksuele relaties met iemands moeder of vleselijke zuster als totaal onaanvaardbaar en in beginsel immoreel werden beschouwd (1 Tim. 5:2). En omdat zulke seksuele relaties, zoals wij hebben gezien, bijna overal ter wereld als iets walgelijks worden beschouwd, is het duidelijk dat zo’n relatie niet in overeenstemming zou kunnen zijn met het bijbelse gebod: „Het huwelijk zij eerbaar onder allen.” — Hebr. 13:4.

Hoewel zulke gevallen ongetwijfeld niet zo vaak zullen voorkomen, is het zonder meer duidelijk dat wanneer er bij iemand sprake is van een verbintenis tussen ouder en kind of tussen broer en zus, dit binnen de christelijke gemeente van Jehovah’s Getuigen niet geaccepteerd kan worden en hij of zij daarom niet voor de doop in aanmerking kan komen, tenzij eerst de verbintenis wordt verbroken. Een ieder die een gedoopt lid van de gemeente is en zo’n huwelijk aangaat, zal terecht worden uitgesloten en alleen door de verbintenis te verbreken weer hersteld kunnen worden.

Relaties zonder directe familieverwantschap

Wat valt er over gevallen te zeggen waarbij geen rechtstreekse familieverwantschap bestaat? Aangezien het Wetsverbond voor christenen niet meer van kracht is, schijnt er niet voldoende schriftuurlijke basis te bestaan om hierin een strakke lijn aan te houden, alhoewel de gemeente, naarmate de bloedverwantschap tussen de twee personen die met elkaar willen huwen, nauwer is, de verbintenis des te sterker zal afraden. Hier is het schriftuurlijke beginsel van liefde zeer sterk bij betrokken, omdat het bekend is dat hoe nauwer de bloedverwantschap is, des te groter het gevaar van genetische gebreken bij het nageslacht zal zijn (Rom. 13:8-10). Het is ook een feit dat over het algemeen in een gemeenschap „de afschuw die men voor bloedschande voelt, vermindert naarmate de bloedband minder nauw wordt” (Encyclopædia Britannica, Micropædia, Deel V, blz. 323). Hoewel een bepaalde verbintenis tussen personen die geen rechtstreekse bloedverwanten zijn dus niet tot uitsluiting hoeft te leiden, zouden de ouderlingen in de gemeente beslist de mate van verwantschap van de betrokken personen in aanmerking kunnen nemen, alsook de invloed die dit op de gemeente en de gemeenschap heeft, en zich vervolgens hierdoor laten leiden wanneer het erom gaat zulke personen in een voorbeeldige positie in de gemeente te gebruiken.

Verwantschap hoeft niet altijd bloedverwantschap te zijn, maar kan ook door een huwelijk ontstaan. Hiervoor bestaat de term aanverwantschap. Het zou passend zijn wanneer een christen zou vermijden zich het oordeel van de gemeenschap op de hals te halen doordat hij streng gehandhaafde maatstaven op dit gebied overtreedt. Hoewel genetische gevaren dus geen rol spelen bij een huwelijk tussen personen die wel familie van elkaar zijn maar geen bloedverwanten, kan de mate waarin zij verwant zijn, toch invloed hebben op de eerbaarheid van hun huwelijk in de ogen van de gemeenschap. Zoals reeds is aangetoond, dient een christen zich hier ernstig om te bekommeren (Hebr. 13:4). Wij willen evenals de apostel „geen aanleiding tot struikelen” zijn voor de mensen om ons heen. — 1 Kor. 10:32, 33.

Wat kan er in dit verband worden gezegd over het geval dat in 1 Korinthiërs 5:1 wordt beschreven? De apostel beschrijft hier een immorele verhouding tussen een man en de vrouw van zijn vader, klaarblijkelijk de stiefmoeder van de man. Het verslag vermeldt niet dat er een huwelijk bij betrokken was en de apostel noemt het in werkelijkheid „hoererij” (porneia). Het verslag vermeldt niet dat de vader van de man nog in leven was, hoewel de woorden in 2 Korinthiërs 7:12, indien deze over hetzelfde geval gaan, een aanwijzing zouden zijn dat hij inderdaad nog leefde. Daarom was de man schijnbaar niet met zijn stiefmoeder getrouwd, maar leefde hij op een immorele wijze met haar samen. Afgezien van de vraag of zij getrouwd waren of niet, dat Paulus ernaar verwijst als een geval van hoererij zoals „zelfs onder de natiën niet voorkomt”, toont duidelijk aan dat de familieverhouding die er bestond, de hoererij nog schandelijker maakte. — 1 Kor. 5:1.

Een evenwichtige zienswijze behouden

Het is natuurlijk niet de plicht van de christelijke gemeente erop te staan dat men aan alle verschillende wereldse maatstaven met betrekking tot bloedschande voldoet, en ook niet om caesars wetten (die soms nog verder gaan dan wat onder het Wetsverbond was verboden) aan anderen op te leggen door bepaalde huwelijken te verbieden. Menselijke wetten en de omschrijving die ze van „bloedschande” geven, zijn niet gelijkluidend, maar vertonen grote verschillen. In sommige gemeenschappen wordt een man die binnen zijn clan of dorp of, in sommige gevallen, zelfs binnen zijn stam trouwt, wellicht als bloedschennig beschouwd. In andere gemeenschappen is bijna het tegenovergestelde waar en wordt iemand veroordeeld als hij niet binnen zijn stam of clan trouwt (Hastings’ Encyclopædia of Religion and Ethics, Deel IV, blz. 253). In enkele oosterse samenlevingen vindt men het onfatsoenlijk wanneer men trouwt met iemand die dezelfde familienaam draagt, ongeacht hoe ver zij verwant zijn (Encyclopædia Britannica, Macropædia, Deel 5, blz. 32). In sommige landen of staten kan een huwelijk van een volle neef en nicht wettelijk erkend worden, en er zijn ook landen waar dit niet het geval is.

Hoewel deze factoren geen morele maatstaf vormen op grond waarvan wordt bepaald of zulke personen door de christelijke gemeente kunnen worden aanvaard of buiten deze gemeente gesloten moeten worden, kunnen ze wel invloed uitoefenen op de mogelijkheid of iemand in de gemeente in een voorbeeldige positie kan worden gebruikt. Veel hangt af van de wijze waarop de gemeenschap waarin zij wonen een huwelijk van bepaalde verwanten beziet en of de zaak een groot schandaal uitlokt of dat het alleen maar bij hier en daar wat ongunstige commentaren blijft. — 1 Tim. 3:7, 10.

Wanneer personen vóór hun doop reeds zo’n verbintenis waren aangegaan en er geen rechtstreekse familieverwantschap bij betrokken is, en er misschien al kinderen uit deze verbintenis zijn geboren, dan zou schijnbaar het beginsel in 1 Korinthiërs 7:24 op dergelijke situaties toegepast kunnen worden. In sommige gevallen vindt de verbintenis in de streek waarin zij wonen wellicht geen wettelijke erkenning. Indien de betrokkenen naar een plaats kunnen reizen waar deze wel te verkrijgen is, zou dit de eerbaarheid van hun verbintenis in de ogen van anderen ten goede komen. Indien dat niet mogelijk is, en de personen de wens hebben gedoopt te worden, en daar ook in andere opzichten voor in aanmerking komen, dan zouden zij in de gelegenheid gesteld kunnen worden een verklaring te tekenen waarin zij plechtig beloven trouw te blijven aan hun huidige verbintenis. Dit zal dan beschouwd worden als een verklaring dat zij zelf hun verbintenis als bindend aanvaarden en niet dat de gemeente de verbintenis goedkeurt.

Degenen die zich er ernstig om bekommeren Gods gunst en zegen te genieten en deze te behouden, zullen er beslist voor waken ook maar iets te doen wat een ongunstig licht op zijn Naam en Woord zou werpen. Hoewel ware christenen niet langer onderworpen zijn aan het Wetsverbond waaronder de Israëlieten stonden, willen zij toch de geïnspireerde woorden van de apostel ernstig ter harte nemen: „Gebruik deze vrijheid alleen niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkaar als slaven door middel van de liefde.” — Gal. 5:13.

[Voetnoten]

a Het Hebreeuwse woord dat hiermee is vertaald, is zimmah. Strong definieert de betekenis ervan als „een plan, in het bijz. een slecht plan”. Keil-Delitzsch zegt: „lett. uitvinding, ontwerp.” De Septuaginta gebruikt er het Griekse woord asebèma voor en Liddell-Scott zegt dat dit woord „goddeloze of profane daad, heiligschennis” betekent. In de Nieuwe-Wereldvertaling wordt het weergegeven met „losbandig gedrag”.

b Merk op dat bij de opsomming in het boek Aid to Bible Understanding, blz. 1041, abusievelijk een dergelijk huwelijk als verboden vermeld staat. De tekst (Leviticus 18:11) vermeldt specifiek dat de dochter het „nageslacht van uw vader” is. Op het diagram in De Wachttoren van 15 mei 1975, blz. 297, wordt terecht geen melding gemaakt van enig verbod op een huwelijk met iemands stiefzuster.

    Nederlandse publicaties (1950-2025)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2025 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen